Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed

Landrecht

Landrecht

In 1412 vond de codificatie plaats van het Drentse gewoonterecht door Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht. De bisschop had voor deze eerste schriftelijke vastlegging zowel mondelinge als schriftelijke informatie verzameld. Het landrecht bevatte alleen bepalingen voor de verhouding tussen de Drenthen en hun landheer, de bisschop. Ze betroffen het strafrecht en het strafrechtproces, de rechterlijke organisatie, speciaal het functioneren van de Etstoel en de bisschoppelijke belastingheffing. Het burgerlijk recht ontbrak geheel, zoals het recht van de Drenthen om op elk niveau zoals buurschap, kerspel, dingspil, landschap te vergaderen en besluiten te nemen.

Het algemene keurrecht was de enige staatsrechterlijke bepaling die erin voorkomt. De Drenthen behielden het recht om marke-zaken te regelen en bepalingen en verordeningen (willekeuren) te blijven maken. Een belangrijk recht van de eigenerfde boeren bleef het verhuren van de jacht. De marken kregen daardoor een nog steviger positie.